Standpunten:

Medezeggenschap

Algemeen

Het ISO beoogt met zijn werkzaamheden de positie van studenten binnen hogescholen en universiteiten continu te versterken. Dit doet hij mede door nauw contact te onderhouden met studenten uit de (centrale) medezeggenschapsraden. Het ISO onderschrijft de belangrijke rol die de (student)medezeggenschap speelt in de ontwikkeling van het hoger onderwijs. De studentleden uit de medezeggenschap hebben binnen het ISO meerdere functies: (1) zij controleren (de uitvoering van) het instellingsbeleid, (2) zij komen zelf met innovatieve ideeën om onderwijs verder te verbeteren, (3) zij adviseert anderen door middel van het delen van ervaringen, en (4) denkt actief na over de positie van het ISO in de vertegenwoordiging van studerend Nederland. De studentmedezeggenschap houdt hierin een kritische, maar constructieve houding.

Om deze functies te bekleden is het van belang dat de studentmedezeggenschap goed op de hoogte is van de inhoud en het proces. Het ISO zet zich al jaar en dag in om de studentmedezeggenschap zo goed mogelijk te faciliteren in haar werkzaamheden. Enerzijds doet het ISO dit door de behoeften en vraagstukken op nationaal niveau op de agenda te zetten. Anderzijds doet het ISO dit door leden van de medezeggenschap kennis te geven over inhoudelijke portefeuilles en hen te trainen waar dit gewenst is voor het effectief bekleden van de functie van studentlid in de medezeggenschap.

Actualiteit

Afgelopen jaren zijn er groot aantal veranderingen geweest in de positionering van de medezeggenschap. Mede door de Wet Versterking Bestuurskracht en de invoering van de kwaliteitsafspraken is de (decentrale) medezeggenschap beter gepositioneerd binnen het besluitvormingsproces. Deze belangrijke wijziging is van goede ontwikkeling om beter de belangen van belanghebbende van het onderwijs te kunnen vertegenwoordigen bij de vorming van beleid.

Deze veranderingen hebben er voor gezorgd dat medezeggenschappers meer verantwoordelijkheden zijn gaan dragen. Het is daarom van belang dat de medezeggenschap een goede gesprekspartner is die inhoudelijk kan meepraten over beleid. Echter zien we dat tussen onderwijsinstellingen en tussen medezeggenschapsniveaus de mate van facilitering en ondersteuning sterk uit elkaar kan lopen. Het ISO erkent dat goede facilitering nodig is als een fundament voor een sterke en inhoudelijke medezeggenschap.

De COVID-19 crisis heeft ervoor gezorgd dat er veel veranderingen hebben plaatsgevonden op hoe het onderwijs op instellingen verloopt. De medezeggenschap speelt een essentiële rol in het opvangen van signalen en het toetsen of beleid studeerbaar blijft tijdens de crisis.

Het ISO ziet een aantal structurele problemen die bij een groot aantal raden speelt. Zo wordt de medezeggenschap niet altijd vroeg betrokken bij besluitvormingsprocessen, dit resulteert in het niet goed kunnen uitoefenen van invloed op belangrijke stukken over de toekomst van de instelling. Ook wordt door ongeveer de helft van de raadsleden ervaren dat zij soms of meestal pas laat geïnformeerd worden. Hierdoor kunnen raadsleden slechter een standpunt innemen en vragen niet in de juiste context plaatsen. Als laatste wordt opgemerkt dat er een minimale capaciteit is tot initiatief, dit wordt voornamelijk verklaart door de minimale mogelijkheden die hiervoor worden aangereikt.

Visie van het ISO

Gesprek met belanghebbenden binnen een instelling is essentieel voor de werkelijke uitvoering van beleid. Wanneer beleid niet aansluit bij de opvattingen, professionele logica en visie van de studenten en het personeel dan lukt het niet om het opgeschreven beleid in uitvoering te brengen. Medezeggenschap is een belangrijk middel om dit gesprek tussen bestuur en belanghebbende te faciliteren. Daarom is het van belang dat de medezeggenschap structureel wordt betrokken bij de verschillende beleidsprocessen.

Het ISO benadrukt dat daarvoor een cultuur van betrokkenheid van de instelling en van de student. De medezeggenschap is een overlegpartner die effectief en inhoudelijk kan meepraten over beleid. Hiervoor wordt als randvoorwaarde gesteld dat de raadsleden in voldoende maten worden gefaciliteerd. En dat de medezeggenschap kunnen functioneren in positie die niet voorwaardelijk is aan factoren als ervaring van de leden en de welwillendheid van het instellingsbestuur.