Standpunten:

Digitalisering

Algemeen

Vanwege de coronacrisis is de digitalisering van het hoger onderwijs in een stroomversnelling gekomen. Er wordt inmiddels volop nagedacht over hoe digitale leermiddelen na de crisis kunnen worden ingezet, maar het hoger onderwijs is nog zoekende naar hoe deze middelen het beste tot zijn recht kunnen komen. Dat digitalisering ook de komende jaren een rol zal spelen lijkt onvermijdelijk. Het is daarom moeilijk om ‘voor’ of ‘tegen’ digitalisering binnen het hoger onderwijs te zijn. Het ISO vindt het om die reden belangrijk om kansen en zorgen goed in kaart te brengen om daarmee de komende jaren een verstandige en scherpe bijdrage aan het debat en de vormgeving van het onderwijs te kunnen leveren. 

Actualiteit

  • Het ISO heeft door ResearchNed onderzoek laten uitvoeren naar de ervaringen van studenten met online onderwijs. Dit onderzoek heeft waardevolle kennis opgeleverd over de vraag hoe digitale middelen het beste tot zijn recht kunnen komen in het hoger onderwijs. Het ISO blijft in gesprekken en discussies wijzen op de uitkomsten van dit onderzoek.
  • Het ISO is betrokken bij de implementatie van het Versnellingsplan in het hoger onderwijs. Middels deze agenda worden er diverse digitaliseringsplannen versneld ingevoerd in het hoger onderwijs. Het ISO neemt zitting in de stuurgroep die hiervoor verantwoordelijk is, bestaande uit SURF, de Vereniging van Hogescholen (VH), de Vereniging van Universiteiten (VSNU) en OCW. Het ISO houdt hierbij nauw toezicht op de kwaliteit van het onderwijs. 

Visie van het ISO

Digitalisering biedt verschillende kansen voor het hoger onderwijs, zoals het aanvullen van offline onderwijs, het kunnen volgen van onderwijs op eigen plaats en tijd, het stimuleren van technologisch burgerschap, het mogelijk maken van laagdrempelige en persoonlijke feedback, en het vergroten van de toegankelijkheid van het onderwijs voor mantelzorgers of studenten met een ondersteuningsbehoefte. Er kleven echter ook legitieme zorgen aan de toenemende digitalisering die serieus genomen moeten worden, zoals het verminderen van interactie en sociale binding, de kans op verminderde onderwijskwaliteit bij verkeerde toepassing, de kans dat studenten minder sociale vaardigheden ontwikkelen, het (niet) kunnen waarborgen van de bescherming van studentgegevens, en zorgen over kansenongelijkheid met betrekking tot toegang tot en beheersing van digitale middelen.  

Het is goed mogelijk dat deze kansen en zorgen in de komende jaren aan actualiteit verliezen, dat ze van richting veranderen of dat er nieuwe kansen en zorgen bijkomen in de toekomst. Voor het ISO en voor de medezeggenschap op instellingen is daarom een belangrijke rol weggelegd om de komende jaren mee te praten over de inrichting van digitale middelen binnen het hoger onderwijs. Het staat voorop dat digitalisering geen doel op zich mag worden, maar bij moet dragen aan goed onderwijs. Online mag dus nooit een volledige vervanging worden van offline, en digitaal onderwijs mag in geen geval als bezuinigingsmaatregel gebruikt worden. Het is kortom belangrijk om vragen te blijven stellen over waarom bepaalde digitale middelen worden gebruikt en wat daarvan de toegevoegde waarde is. Daarnaast ziet het ISO graag dat er meer landelijk beleid komt voor digitalisering binnen het hoger onderwijs. Hierbij kan gedacht worden aan een meer nationale visie over hoe privacy van studenten gewaarborgd kan worden of hoe docenten beter ondersteund kunnen worden om op een juiste manier de kansen van digitalisering te benutten.